Hoe zijn officiële plantnamen van wilde planten opgebouwd? En hoe schrijf je die namen op correcte wijze?
In dit blog bespreken we de naamsdelen van plantennamen uit de nomenclatuurcode voor wilde planten, de ICN. Ook kijken we naar de schrijfwijze van deze plantnamen.
Kijk voor naamgevingsregels voor gekweekte planten naar de ICNCP.
Meer weten? Lees op deze website alle blogs over naamgeving in de plantkunde en ga ook naar de genoemde links.
Tuinier je natuurvriendelijk? Om dit te kunnen beamen, moet je ook iets weten over plantkunde en natuur. Met basiskennis over planten op zak kan je gemakkelijker keuzes maken. Voor je tuin, natuurlijk. En bijvoorbeeld ook voor je inkoopgedrag in de winkel.
In een serie blogs delen we basale kennis over plantkunde.
Deze keer: de opbouw en schrijfwijze van officiële namen van wilde planten.
Binomiale nomenclatuur
In de ICN kiest men voor termen in het Latijn. De naam van de wilde plantensoort bestaat uit 2 delen. In de biologie noemt men dit de binomiale nomenclatuur.
Linnaeus kende zulke tweedelige ofwel binaire namen overigens niet alleen toe aan planten en dieren, maar ook aan mineralen!
Geslacht
Het eerste deel van de wetenschappelijke plantnaam is de naam van het geslacht waartoe de soort wordt gerekend. Het heet: geslachtsnaam. Het begint met een hoofdletter.
Bijvoorbeeld: Allium (look).
In lopende teksten kan de geslachtsnaam zijn afgekort tot de eerste letter, gevolgd door een punt. Dit kan de leesbaarheid vergroten. Voor de kenner, dan 😉
Voorbeeldfragment: ‘Van alle soorten uit het geslacht Allium is de A. ursinum voor velen waarschijnlijk het meest verrassend.’
Soort
Het tweede deel van de wetenschappelijke plantnaam geeft aan om welke soort het gaat. Het is in kleine letters geschreven.
Bijvoorbeeld: Allium ursinum (daslook).
Het is gebruikelijk de geslachtsnaam en de soortaanduiding in een tekst cursief te schrijven. Ook eventuele verdere toevoegingen staan in cursief.
Eigenlijk is het dus: Allium ursinum.
Lager in rang dan soort
De ICN kent groepen van wilde planten die lager in rang zijn dan de soort.
Ondersoort
Is er een ondersoort, dan volgt een toevoeging, voorafgegaan door de afkorting “subsp.” Dat staat voor subspecies ofwel ondersoort.
Voorbeeld: Heracleum sphondylium subsp. sibiricum (gewone berenklauw).
Variëteit
De term variëteit of botanische variëteit wordt gereserveerd voor in het wild gevonden planten. De naamgeving is volgens de ICN. Als er variëteiten zijn, dan wordt de aanduiding daarvan voorafgegaan door “var.”
Voorbeeld: Brassica oleracea var. acephala (eeuwig moes, splijtkool).
Let op:
- variëteit is niet hetzelfde als cultivar, een term uit de code voor cultuurgewassen, de ICNCP
- een plant die nu een cultivar is, kan oorspronkelijk beschreven zijn als variëteit, en op een gegeven moment zijn omgezet
- in de literatuur worden termen als ras, cultivar en variëteit nogal eens door elkaar heen gebruikt
- weetje: in de dierkunde gaat men anders om met het begrip variëteit dan in de plantkunde; de enige rang beneden die van soort is daar de ondersoort
Nog meer rangen
Andere rangen voor planten beneden het niveau van soort zijn onder andere convariëteit, afgekort tot convar., en vorm/forma, afgekort tot f.
Links
- ICN op website van International Association for Plant Taxonomy (IAPT, Engelstalig)
- ICNCP op website van International Society for Horticultural Science (ISHS, Engelstalig)


